Overslaan en naar de inhoud gaan

Cornelis Jacob Sickesz, maatschappelijk kasteelheer

Het was een heerlijke zomer. Ver van de taaie Utrechtse rechtenstudie kon Cornelis Jacob Sickesz (1839) hier in de Achterhoek zwerven door bossen en landerijen en spelevaren op de Berkel. En dat allemaal binnen het uitgestrekte grondgebied van landgoed de Cloese, waar hij logeerde. Hij was daar, zoals vaker, te gast bij zijn 'oom' Marinus Ernestus van Harlingen, de broer van zijn stiefmoeder. En hij genoot van de rust, van de natuur, maar misschien nog het meest van zijn achternichtje Marie, de dochter des huizes.

Eigenlijk was 'dochter des huizes' niet juist uitgedrukt. Weduwnaar van Harlingen woonde met zijn dochter Maria Anna Cornelia weliswaar op de Cloese, maar hij was niet de eigenaar. De Cloese was van een oom van hem. En toen die kinderloos was overleden bleek hij zijn vele eigendommen te hebben nagelaten aan drie achterneefjes en -nichtjes, onder wie Marie. Vader Marinus was weliswaar voorlopig voogd en beheerder over Marie's eigendommen, maar zijzelf was in feite de 'vrouw des huizes'.
Toen Cornelis en Marie voor het eerst samen speelden op de Cloese en toen zij les kregen van een onderwijzer uit Lochem was Cornelis zich van de rijkdom van Marie vast nog niet bewust. Maar toen eenmaal een heuse romance was opgebloeid en ze serieuze trouwplannen hadden was een en ander inmiddels wel bekend. Toch was Cornelis er niet primair op uit een goede partij aan de haak te slaan en om dan zelf te gaan rentenieren. Integendeel: zijn hele leven zou hij inzetten voor de publieke zaak; als ambtenaar, bestuurder, politicus, ondernemer en organisator.

Minister van Binnenlandse zaken Thorbecke had al heel wat solliciterende burgemeesters op audiëntie gehad, maar de kandidaat die hij nu voor zich had was met zijn 25 jaar wel erg jong. 'Gij zijt nog wel wat jong voor deze betrekking, nog zo kort geleden hebt gij mij uw dissertatie aangeboden’. De jeugdige Cornelis Jacob Sickesz, de beoogde burgemeester van Laren (G), antwoordde: ‘Excellentie, dat is een gebrek dat met de dag beter wordt’. Thorbecke kon slechts concluderen: ‘Jongmensch, gij schijnt al vroeg van de tongriem gesneden te zijn’
Voor Cornelis was die post van burgemeester van Laren precies wat hij zich wenste, nu hij met Marie zou gaan trouwen en op de Cloese zou gaan wonen. Schoonvader van Harlingen was sinds 1859 gemeenteraadslid in Laren en dat kan de kandidatuur best een beetje geholpen hebben. Feit is dat Sickesz op 1 juli 1864 begon als burgemeester van Laren en dat hij op 4 augustus in diezelfde plaats trouwde met Marie van Harlingen. Wat later werd hij er tevens raadslid, wat in die tijd niet ongebruikelijk was. Cornelis was nog geen 30 jaar.

Zijn echte betekenis voor de gemeenschap moest nog komen. Hij gebruikte zijn positie en zijn rijkdom optimaal om zijn initiatieven kracht bij te zetten. En hij had het tij mee in een periode van stormachtige ontwikkelingen in landbouw, industrie en infrastructuur.
Al meteen werd de jonge burgemeester geconfronteerd met de de slechte waterhuishouding van de Berkel, met regelmatige overstromingen tot gevolg. Geoloog Winand Staring had die problematiek al veel eerder aangekaart en Sickesz' voorganger had een college ingesteld om tot een oplossing te komen. Sickesz werd secretaris van dat gezelschap en toen daaruit het Waterschap van de Berkel ontstond was hij de eerste watergraaf. Alexander Staring, de zoon van Winand was zijn secretaris/penningmeester.
Sickesz was een aimabel en erudiet man. De verbindende taken van het burgemeestersambt gingen hem makkelijk af. En de overige vaste taken van een burgemeester stelden in een dorp als Laren in die tijd weinig voor. Dus was er alle gelegenheid zich met allerlei maatschappelijke en zakelijke ontwikkelingen te bemoeien in Laren en Lochem. Sickesz was ook een gelovig man met moderne opvattingen. Hij was enige tijd voorzitter van de Nederlandse Protestanten Bond. Toen zowel in Lochem als in Barchem de hervormde gemeenten zich steeds behoudender toonden was Sickesz steun en beschermheer bij de oprichting (1879) van de Remonstrantse kerk in Lochem.

Na veertien jaar Laren besloot Sickesz zich meer provinciaal en nationaal te manifesteren. Als landeigenaar en boer ging hem de deplorabele toestand van de landbouw zeer aan het hart. Al vrij snel nadat hij zich daarmee was gaan bemoeien werd hij voorzitter van de Geldersche Maatschappij voor Landbouw. En toen in 1888 uit die kring de Nederlandsche Heide Maatschappij ontstond was hij de eerste voorzitter daarvan. Niet voor niets was het hoofdkantoor van de Heidemij in Arnhem gevestigd aan het Sickeszplein. En eveneens niet voor niets eerde de Heidemij hem met een standbeeld, uitkijkend op de Cloese.
Tegelijkertijd steeg Sickesz' ster in de politiek en het landsbestuur. Hij was, als liberaal politicus, lid van Provinciale Staten (van Gelderand en, na verhuizing naar Den Haag, van Zuid Holland), lid van de Tweede Kamer, lid van de Eerste Kamer, Directeur Generaal Landbouw (toen nog op het ministerie van Binnenlandse Zaken)...

Je zou het aan deze activiteiten niet aflezen, maar Cornelis Sickesz had een zwakke gezondheid. Daardoor moest hij bijvoorbeeld zijn voorzitterschap van de Heidemij al na een jaar onderbreken. Op medisch advies had hij al eens gekuurd in het Zuid-Tiroolse Meran(o) en hij verwachtte dat een verhuizing naar Den Haag met frisse zeelucht hem ook goed zou doen. Toen dat niet bleek te kloppen verhuisde het echtpaar voor enkele jaren naar Meran. Dat had wel succes. En omdat inmiddels een eind was gemaakt aan de overstromingen van de Berkel durfde hij het in 1897 aan weer op de Cloese te gaan wonen. Daar was overigens een vrijwel totale herbouw van het huis aan voorafgegaan. Er stond nu een compleet nieuw kasteeltje in neo-renaissance stijl.
Uit liefhebberij deed Sickesz aan zuivelbereiding en houtteelt. Toen rond 1900 de eerste coöperatieve zuivelfabrieken ontstonden en de boeren van Zwiep niet tot een besluit konden komen richtte Sickesz zijn koetshuis als boterfabriek in en benoemde zijn koetsier tot directeur.
Nadat Sickesz in 1900 afscheid had genomen als Directeur Generaal Landbouw in den Haag wijdde hij zijn aandacht nog vooral aan zijn troetelkind de Heidemij. In de zomer van 1903 werd zijn gezondheid weer duidelijk slechter. Opnieuw zocht hij herstel in Zuid Tirol. Maar hij stierf in februari 1904 in Meran en werd daar, op zijn uitdrukkelijk verzoek, ook begraven.