Overslaan en naar de inhoud gaan

Jan Moora, directeur van de Mammoetwet

Ondanks de ontberingen die hij had moeten doorstaan als krijgsgevangene van de Japanners en ondanks het verdriet over de dood van zijn vrouw moest Jan Moora na de oorlog zijn leven weer zien op te pakken. Hij kon aan de slag als leraar aan het Barlaeus gymnasium in Amsterdam en woonde tijdelijk bij zijn tante Anna. Die tante kreeg een beleefdheidsbezoekje van een nichtje uit een heel andere tak van de familie. Zij zag: een rijpere heer met pretoogjes, nonchalant geleund tegen de schoorsteenmantel; in zijn hand een geruststellende pijp. Hij zag: een knappe en zelfbewuste jongedame, enkele centimeters groter dan hij en vele jaren jonger. Het was liefde op het eerste gezicht. In 1947 trouwden Jan Moora en Relie Klokgieters en het jaar daarop kregen ze een tweeling.

Jan Moora had op dat moment in zijn leven al heel wat meegemaakt. Hij was geboren in Hilversum en had geschiedenis gestudeerd in Leiden. Een baan als leraar zou het logische vervolg zijn, helemaal met zijn extra onderwijsbevoegdheid nederlands. Maar zulke banen lagen niet voor het oprapen. Waar wel een leraar werd gezocht was aan het Christelijk Lyceum in Bandoeng, Ned Indië. In 1935 vroeg Jan zijn buurmeisje Sandine Bloemendaal ten huwelijk, vertrok met haar naar Indië en begon met lesgeven in Bandoeng. Hoewel Sandine zelf in Soerabaja was geboren kende ze het land alleen uit verhalen van haar ouders.

Al na een paar jaar dreigde de Japanse inval en werd Jan als reserve-1e luitenant opgeroepen om dienst te nemen bij het KNIL. Jan en Sandine zouden een groot deel van de oorlog gescheiden doormaken: hij als krijgsgevangene en zij in een interneringskamp. Toen in augustus 1945 de oorlog met Japan voorbij was trof Jan hun huis in Bandoeng helemaal leeggeroofd aan. En Sandine kwam ernstig verzwakt en ondervoed uit het kamp. Per boot keerden ze terug naar Nederland, maar Sandine herstelde niet meer van de ontberingen: zij overleed in februari 1946 in Amsterdam en werd als oorlogsslachtoffer begraven op de erebegraafplaats in Loenen.

En toen begon dus Jans nieuwe leven aan het Barlaeus in Amsterdam en zijn nieuwe gezin met Relie en de tweeling. Met z'n allen gingen ze enkele malen op vakantie naar de duinen, maar Jan had vervolgens zijn zinnen gezet op Oost-Nederland. Dat werd een vakantie via een woningruil met Lochem. Zes weken lang bivakkeerden de Moora's in 't Oppertje, op de hoek van de Ten Bokkel Huininkweg en de Korte Voren, toen nog aan de rand van de Langense Enk. En ze genoten! Overbuurman Eilard Franken zag het en concludeerde: 'Jullie moeten maar definitief hiernaartoe komen', waarop Relie antwoordde: 'Dan zal er hier toch eerst een middelbare school moeten zijn!' Wie in Lochem meer wilde dan ambachtsschool, huishoudschool of MULO, moest toen immers dagelijks op de fiets naar een van de Zutphense lycea.

Nog geen jaar later stond er een advertentie in de krant voor een leraar/directeur voor een nieuw op te richten H.B.S. In Lochem. Voorjaar 1953 werd Jan Moora benoemd als directeur van de nieuw op te richten Rijks HBS. Het gezin verhuisde naar Lochem en betrok een groot huis aan de Zwiepseweg, gekocht met hulp van moeder Moora. In Lochem zou hun jongste dochter worden geboren.

Een nieuwe school richt je niet zomaar op. Dat begint met een paar klassen en een paar lokalen. De gemeente had ruimte beschikbaar gesteld in het gebouw van de MULO aan de Barchemseweg. Contacten moesten worden gelegd met de hoofden van alle lagere scholen in stad en omgeving. Leraren werden voorlopig nog maar voor enkele uren per week benoemd, maar docenten van het eerste uur als Broekhuizen, Jorritsma, Kruseman en Stapert zouden jaren blijven.

Leraar wiskunde Jack Broekhuizen was daarbij trouwens een verhaal apart. Toen Jan Moora naar Zaltbommel ging om deze beoogde leraar aan het werk te zien trof hij daar voor de klas een figuur die hij meteen herkende; maar dan als een van zijn leerlingen in de eerste klas in Bandoeng 1936. Broekhuizen zou onderdirecteur van de RHBS worden en in 1969 Moora opvolgen als rector van wat inmiddels de Rijks Scholen Gemeenschap Lochem heette.

De Rijks HBS in Lochem werd op 9 oktober 1953 officieel geopend door staatssecretaris van onderwijs Anna de Waal. Op 14 september waren de 10 docenten al begonnen met lessen aan 28 jongens en 13 meisjes.

De opening van de nieuwe school was nieuws voor de hele regio. Wat vooral aandacht kreeg was de moderne inventaris. De Gelderlander maakte melding van een 'beeldprojector, pick-up, versterker en een piano voor het muziekonderwijs'.

Vanaf dat moment groeide het aantal klassen, leerlingen en leraren elk jaar. In 1956 werd de Middelbare School voor Meisjes toegevoegd. Moora richtte zich inmiddels op een permanente behuizing voor het moment dat de school volgroeid zou zijn. In september 1962 kon het schoolgebouw aan de Cartier van Disselllaan in gebruik genomen worden. Het was een veelgeprezen ontwerp van de Wageningse architect Jan Wiedijk.

Markante onderdelen van het ontwerp waren het voorplein met fontein van beeldhouwer Willem Berkhemer en de centrale ontmoetingshal 'de Kuip'.

Voor leraar en directeur Jan Moora was de persoonlijke ontwikkeling van zijn leerlingen de belangrijkste drijfveer. Hoewel de RHBS geen Daltonschool was stond de zelfstandigheid en keuzevrijheid van de leerlingen wel voorop. En hij vond dat leerlingen moesten kunnen 'doorstromen': bij gebleken geschiktheid overstappen van MULO naar HBS of gymnasium.

Die mogelijkheid van doorstroming was ook de kern van de in 1963 aangenomen 'Mammoetwet', die het 'middelbaar' onderwijs om zou vormen tot 'voortgezet' onderwijs. Vanaf het schoolseizoen 1968-69 zou die wet in werking treden en tot die tijd werd de invoering voorbereid, onder andere bij experimenteerscholen.

Jan Moora was lid en rapporteur van de Commissie VWO-HAVO-MAVO die een en ander begeleidde en natuurlijk was 'zijn' HBS een van de experimenteerscholen. In Lochem werd vanaf 1964 al gestart met elk jaar meer klassen HAVO en Atheneum en elk jaar bleven er minder klassen van de HBS en MMS over. Waar Moora was begonnen als directeur van een HBS werd hij geleidelijk rector van een Scholen-gemeenschap.

In 1969 nam Moora afscheid van zijn school om zich nog een aantal jaren helemaal te richten op de landelijke voorlichting over en invoering van het nieuwe onderwijsstelsel. Als een ware zendeling reisde hij door het hele land om van Middelburg tot Leeuwarden presentaties te geven. Vooral het nieuwe schooltype HAVO was Moora's geesteskind; daarin moest de doorstroom-gedachte vorm krijgen. Ook in vele artikelen over bijvoorbeeld de Middenschool bleef Moora zich uiten over de ontwikkelingen in onderwijsland. Hij bleef de 'vraagbaak' voor collega's, ouders en leerlingen die hij altijd was geweest.

Zijn werk voor de Mammoetwet werd in 1970 beloond door hem te benoemen tot officier in de orde van Oranje-Nassau. Jan Moora stierf in 2001 op 93 jarige leeftijd. De RSG was nog volop in bedrijf in het prachtige gebouw aan de Cartier van Dissellaan. De sloop daarvan in 2013 heeft hij niet meer mee hoeven maken.