Overslaan en naar de inhoud gaan

Winand Carel Hugo Staring, pionier van de geologie

Zoons van beroemde vaders wordt vaak gevraagd: “Bent u de zoon van …?” Het goede antwoord is natuurlijk altijd “Ik bén …!” En dat geldt des te meer als de zoon net zo beroemd wordt als zijn vader. Winand Carel Hugo had rechten en wis- en natuurkunde gestudeerd en was gepromoveerd op een proefschrift, Specimen academicum inaugurale de geologia patriae (Academisch proefschrift over de geologie des vaderlands), waarin hij samenvatte wat op dat moment bekend was over de geologie van Nederland.

Winand Starings eerste baan was als administrateur op een landgoed in Zutphen. Daarnaast was hij griffier bij het vredegerecht in Vorden en vervolgens bij het kantongerecht in Lochem. In die laatste richting had zijn vader, dichter Antony Staring van de Wildenborch, zich als kruiwagen opgeworpen. Vader was namelijk niet erg gerust geweest op de toekomst van zoon Winand.
Dat pakte veel positiever uit dan vader voor mogelijk had gehouden. Met zijn achtergrond als 'landman' bemoeide Winand zich actief met de ontwikkelingen van de landbouw in de regio. Zijn brede belangstelling blijkt uit de volgende opsomming van diverse van zijn geschriften uit die tijd:
* Handboek voor verdrinkenden, de Berkelnooden, Deventer 1842;
* Proef eener Nederlandsche kunstspraak (= terminologie) voor de aardkunde of geologie, Deventer 1844;
* De aardkunde en landbouw van Nederland, Zwolle 1846;
* De aardkunde van Salland en het land van Vollenhoven, Zwolle 1846;
* De aardkunde van Twenthe, Zwolle 1846;
* Over de oprigting eener Nederlandsche hoogeschool van den landbouw, Arnhem 1847.

Mede door zijn bemoeienissen werd de Gelderse Maatschappij voor Landbouw opgericht (1847), waarvan hij de eerste secretaris was. Ook de Wageningse landbouwhogeschool kwam (1876) mede door zijn initiatieven tot stand en zijn naam is daar nog lang aanwezig geweest in het Staringgebouw en het Staring centrum.
Van 1851 tot 1852 was Winand kort gemeenteraadslid van Laren, maar op uitnodiging van minister Thorbecke werd hij voor grootsere daden naar het westen geroepen.
Zijn grote roem als geoloog heeft Staring te danken aan zijn standaardwerk 'De bodem van Nederland' uit 1855-1860 en zijn 'Groote geologische kaart' uit 1858-1867. Uniek was de onderverdeling van het Diluvium en Alluvium, waarvoor Staring’s kaart op de Wereldtentoonstelling van 1862 in London is bekroond met de gouden medaille. Ondanks aanbevelingen aan het adres van de regering voor vervolgonderzoek en verbetering van de kaart, zou het tot ver in de twintigste eeuw duren voordat er een nieuwe geologische kaart verscheen.
Voor het tot stand brengen van die beide werken woonde Staring van 1852 tot 1863 in Haarlem, waar hij in het Paviljoen Welgelegen een Museum voor Geologie inrichtte, dat later naar Leiden werd verhuisd
Ook werkte hij aan zijn in 1862 uitgekomen en bijna 1200 pagina’s tellende ‘Huisboek voor den Landman in Nederland’ met tal van wetenswaardigheden voor de boer, waaronder al een ‘natuurkalender’ en een overzicht van de maandelijkse arbeid in huis, op de akker en in tuin en bos. Het bevat tevens een verhandeling over het belang van de wetenschappelijke landbouw, een overzicht van de geologische geschiedenis van onze bodem en een uitvoerige beschrijving van de Nederlandse landbouw.

In 1863 keerde Staring terug naar de Boekhorst en werd inspecteur van het onderwijs, in het bijzonder belast met het toezicht op het landbouwonderwijs. Talloos zijn de boekwerken en verhandelingen van zijn hand over landbouw, landbouwonderwijs en landbouwstatistiek.
Van 1873 tot zijn dood in 1877 was Staring nog wethouder van Laren. Winand Staring ligt begraven op de Oude begraafplaats in Lochem, waar zijn graf met grote zwerfsteen direct opvalt nadat men de begraafplaats, onder enkele dichtregels van zijn vader door, heeft betreden.