Overslaan en naar de inhoud gaan

De Grote of Sint-Gudulakerk

Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Broodtekst

Kennismaking met een boeiende middeleeuwse stadskerk
De op het eerste gezicht eenvoudige laatgotische hallenkerk in de stadskern van Lochem heeft een opmerkelijke, meer dan duizendjarige bouwgeschiedenis. Daarvan zijn nog allerlei sporen in het gebouw aanwezig. Bovendien verbergt de kerk een aantal bijzondere kunstschatten. Tijd voor een kennismaking.


Met de verwerving van de Grote of Sint-Gudulakerk voegt de Stichting Oude Gelderse Kerken een markant en in architectuurhistorisch opzicht boeiend middeleeuws bedehuis toe aan haar unieke gebouwencollectie. In de kern verbergt de hallenkerk namelijk een interessante veertiende-eeuwse kruisbasiliek en er zijn ook, vooral ondergronds, restanten aanwezig van nog veel oudere kerkgebouwen, waarvan de oudste uit de negende of tiende eeuw dateren.
Dit artikel geeft een indruk van die lange en complexe bouwgeschiedenis. Ook wordt aandacht besteed aan twee bijzondere bezienswaardigheden in hel interieur: de middeleeuwse muurschilderingen en een zeer vroeg voorbeeld van christelijke beeldhouwkunst in Nederland.

Van schuurkerk tot romaanse basiliek
De eerste schriftelijke vermelding van een kerk in Lochem dateert uit 1059. Het gebouw was toen waarschijnlijk een zogenaamde eigenkerk van de heren van Zutphen (door en voor hen opgericht) en had voor de wijde omgeving een centrale functie in het beheer van hun goederen 1).
Opgravingen in de kerk in de jaren zeventig hebben echter uitgewezen dat de bouwgeschiedenis veel verder terug reikt 2).
Het is vermoedelijk in de negende eeuw allemaal begonnen met een eenvoudig, rechthoekig houten schuurkerkje van zo'n 12 bij 4 meter. Van dit gebouwtje zijn bij het bodemonderzoek in de huidige middenbeuk voornamelijk paalkuilen teruggevonden. De houten kerk is aan het eind van de tiende, begin elfde eeuw vervangen door een duurzamer gebouw, een waarschijnlijk uit veldkeien opgetrokken zaalkerk, 24 meter lang en ruim 6 meter breed, met een halfrond gesloten koor. De opvolgers van deze zaalkerk zijn niet alleen door de opgraving gedocumenteerd, maar ook door
bouw- en architectuurhistorisch bureau- en veldonderzoek uit het eind van de jaren tachtig 3). In de twaalfde eeuw was sprake van een kleine tufstenen basiliek met een recht gesloten koor en een westtoren, Het kerkschip had smalle zijbeuken, die aan weerszijden van het diepere koor eindigden in recht gesloten kapellen. Van het opgaande werk van dit gebouw werden onder meer stukken gewelfrib en een dobbelsteenkapiteeltje teruggevonden.

Ombouw tot gotische kruiskerk
De romaanse kerk is in de veertiende eeuw in fasen vervangen door een gotische constructie: een compacte kruískerk met basilicale opzet. Van dit interessante gebouw is nog betrekkelijk veel in de huidige kerk terug te vinden. Allereerst de middenbeuk met de aansluitende viering en het hoofdkoor. Het lage zuidelijke zijkoor geeft nog een indruk van de basilicale opzet van de kruiskerk. Bij de opgraving in 1972 zijn veertiende-eeuwse muren van de zijbeuken teruggevonden. In de huidige scheibogen tussen middenschip en zijbeuken zijn nog de aansluitingen te zien van de verdwenen lichtbeukvensters van het basilicale schip. Van het dwarsschip resteren de viering. de zuidelijke transeptarm {met gewelf} en de noordwand.

Opmerkelijke vormgeving
Opvallend zijn de pijlers die bij deze bouwfase behoren. Deze hebben een bakstenen kern en een bekleding van trachiet, met een rijke, uit accoladevormen bestaande profilering. waaruit de scheibogen en de gewelfribben vloeiend ontspruiten. Dat is nog bij enkele intacte pijlers te zien.
Een en ander veronderstelt een vrij complex ontwerp. Ze zijn vergelijkbaar met de veertiende-eeuwse pijlers in de Broederenkerk in Deventer en de Bethlehemkerk in Zwolle.
Er moeten steenhouwers en metselaars met veel kennis van zaken aan de Lochemse kerk hebben gewerkt. Hierop wijzen onder meer ook de rijke profielen van de gewelfribben. De tamelijk prestigieuze opzet van het nieuwe veertiende-eeuwse gebouw moet waarschijnlijk worden gezien in
het licht van de positie als eigenkerk van de heren van Zutphen en van de bloeiperiode van de destijds nog jonge stad. Lochem kreeg in 1233 stadsrechten, mocht vanaf 1312 jaarmarkten houden en werd vanaf 1330 als belangrijke Gelderse vesting, onder graaf Reinoud II van Gelre, van een
stenen ommuring voorzien.

Nieuwe toren en uitbreiding
Pas in de tweede helft van de vijftiende eeuw is de oude romaanse toren, die in de kruisbasiliek stond ingebouwd, vervangen door de huidige hoge toren. Deze werd in 1478 voltooid en is met zijn afwisseling van natuursteen en baksteen en de rijke geleding met waterlijsten en spitsboognissen een mooi voorbeeld van Rijnlandse laatgotiek. Kort daarop vond in verschillende fasen de ombouw tot hallenkerk plaats. Als eerste kwam de nieuwe hoge zuidelijke zijbeuk gereed. Rond het midden van de zestiende eeuw werd de noordbeuk uitgelegd en verhoogd en is het noorderkoor gebouwd.

Na de reformatie
Omstreeks 1580 werd Lochem protestants. Een periode van ingrijpende vergrotingen en verfraaiingen van de Grote Kerk, bezit van de Nederduits Gereformeerde Kerk, kwam ten einde. In 1615 kreeg het godshuis het zwaar te verduren tijdens de stadsbrand, die Lochem op een paar huizen na volledig in de as legde. Het jarenlange herstel van de kerk is gedocumenteerd in de zeventiende-eeuwse kerkenraads-verslagen en de stadsrekeningen. De grootste klus moet het
herstellen van de kerkkappen zijn geweest, die vermoedelijk volledig verloren waren gegaan. Ook de vele belegeringen en bezettingen van de vestingstad Lochem in de zestiende en de zeventiende eeuw hebben de kerk veel schade toegebracht.
In de negentiende eeuw kreeg de kerk een nieuwe indeling en zijn de hoge gotische vensters van gietijzeren ramen voorzien; elementen die bij de grote kerkrestauratie in de jaren 1972-1976 werden verwijderd.

Nieuwe torenspits
De oudste foto's van de Grote Kerk tonen de imposante toren met een lage ingesnoerde naaldspits, waarschijnlijk de spitsconstructie die was aangebracht nadat een oorspronkelijk veel hogere spits was vernield door oorlogsgeweld of de brand van 1615. In 1903 kreeg de stad Lochem een
carillon aangeboden door de leerfabrikantenfamilie Naeff, destijds de grootste werkgever van de stad. Men besloot het carillon te plaatsen in een nieuwe hoge torenspits, waarvoor Nicolaas Molenaar uil Den Haag een ontwerp maakte. De architect had in Lochem al gewerkt aan enkele villa’s en aan de verbouwing van het even buiten de stad gelegen kasteel De Cloese. Zo is de Lochemse kerktoren dus sinds 1903 weer gelooid met een hoge naaldspits. Vanaf de omgang zijn er prachtige vergezichten over de bosrijke omgeving. Het in die dagen al druk bezochte toeristenstadje had er een mooie attractie bijgekregen.

Grote restauraties
De laatste grote bouwkundige ingrepen vonden plaats in de jaren zestig en zeventig toen respectievelijk de toren en de kerk werden gerestaureerd. Vooral de kerkrestauratie was een ingrijpende aangelegenheid. Naast bouwtechnisch herstel werden ook reconstructies uitgevoerd. Zo keerden de veelhoekige koorsluiting van het zuidelijke zijkoortje, het rondvenster in de noordelijke transeptarm en de gotische natuurstenen venstervullingen terug. Ook het interieur ging grondig op de schop. Het negentiende-eeuwse bankenplan werd verwijderd en bij het realiseren van vloerverwarming is een aantal historische grafkelders gesloopt. De werkzaamheden onder het maaiveld maakten het archeologisch onderzoek mogelijk dat licht wierp op de lange bouwgeschiedenis. In de bouw- en opgravingsputten en in dichtzettingen kwamen vele oude bouwmaterialen tevoorschijn, vaak fragmenten uit de romaanse en vroeggotische bouwperioden, zoals gewelfribben, stukken watertijst en gewelfschotels, fragmenten van natuurstenen beelden en
nog veel meer. Ook trof men talloze graven en grafkelders aan en een zeventiende-eeuwse klokkengietersput. Deze is via een glasplaat in de kerkvloer voor het publiek zichtbaar gemaakt.

Gudula, een Vlaams-Frankische heilige
De Lochemse kerk was gewijd aan Gudula, een zevende-eeuwse Vlaams-Frankische heilige, tevens patrones van de Sint-Goedelekathedraal in Brussel, de parochiekerken van Hamme en Moorsel en de parochie van het Duitse Rhede bij Bocholt. De eerste vermelding van Gudula als patroonheilige van de Lochemse kerk dateert uit 1491, maar haar populariteit in het Graafschap Zutphen is al wat eerder geboekstaafd door het vijftiende-eeuwse Gudula-officie, afkomstig uit de Sint-Walburgiskerk in Zutphen en door het relatief veelvuldig voorkomen van de gelijkluidende meisjesnaam in Lochem en omgeving in de middeleeuwen. Er wordt gespeculeerd dat Ludgerus (742-809), de eerste bisschop van Münster, wellicht de hand heeft gehad in de oprichting van de Gudulakerken in Lochem en Rhede 4). Het bisdom Münster omvatte destijds ook het oostelijk deel van het Graafschap Zutphen.

Het is niet ondenkbaar dat de Gudula-verering pas eind dertiende eeuw in deze regio terechtkwam. In 1286 huwde Reinoud I, graaf van Gelre, namelijk Margaretha van Vlaanderen (1272-1331), de dochter van de machtige Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen en markgraaf van
Namen. Margaretha was de moeder van Reinoud II, de latere Hertog van Gelre. Lochem, waar een hof van de graven van Zutphen was, en de Lochemse kerk, gerelateerd aan het kapittel van de Zutphense Sint-Walburgiskerk, hadden nauwe handen met de grafelijke familie, die door de komst
van Margaretha een belangrijke connectie met Vlaanderen had gekregen. 5)

Middeleeuwse muurschilderingen
De Gudulakerk bezit verschillende middeleeuwse muurschilderingen. Enkele daarvan werden al herontdekt bij het witten van de kerkmuren in 1866. De opmerkelijke vondst van de beeltenissen van Sint-Sebastiaan en de heilige Jacobus haalde zelfs de landelijke couranten. De schildering is al snel weer overgewit, maar opnieuw blootgelegd en hersteld tijdens de kerkrestauratie in 1972-1976. De laatvijftiende-eeuwse schildering moet kort na voltooiing van de nieuwe zuidbeuk zijn aangebracht. Op dezelfde muur bevinden zich een voorstelling van de Boom van Jesse en een Sint-Christoffel met het Christuskind op zijn schouders.
Op een van de middenbeukpijlers is de pestheilige Rochus afgebeeld. De noordbeuk wordt gesierd door cen tweede, mogelijk nog veertiende-eeuwse Christoffelfiguur en twee omkaderde taferelen: Salomé’s dans en een kruisigingscène, beide uit 1567. In het vijftiende-eeuwse torenportaal is een
grote, fragmentarisch bewaarde afbeelding van het Laatste Oordee] aanwezig.

Goed bewaard geheim: de unieke gedachtenissteen
Een bijzonder inventarisstuk van de Gudulakerk is een meer dan duizend jaar oude gedachtenissteen 6). Het object kwam tevoorschijn tijdens de kerkrestauratie begin jaren zeventig. Het gaat om een dikke zandstenen plaat van 74 bij 46 centimeter, met in licht reliëf een menselijke figuur in een lang gewaad. Beide armen en handen zijn naast het lichaam in orante opgeheven, de wijze waarop in de vroegchristelijke tijd een biddend persoon werd afgebeeld. De omlopende
tekst is niet compleet, maar woordfragmenten als ‘REQUI’ (requi(em), ‘hij ruste’) en ANIM (anim(a) of anim(am), ‘ziel’} en de voorstelling van de biddende persoon duiden op het corspronkelijke funeraire gebruik als gedachtenissteen voor een overledene.
Gezien de hoge ouderdom van de kerk is het niet ondenkbaar dat de gedachtenissteen al vanaf het begin in de Gudulakerk aanwezig was. In de veertiende of vijftiende eeuw is de steen ‘hergebruikt'. De oorspronkelijke achterkant is toen van gotische versieringen voorzien en de koorsluiting ingemetseld als bekroning van cen sacramentsnis. De oorspronkelijke ‘voorkant’ was sindsdien aan het gezicht onttrokken en bleef zo bij toeval bewaard.

Ten slotte
In 1976 kan de volledig gerestaurcerde kerk weer voor de eredienst in gebruik worden genomen. Nadat de kerkenraden van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerk al in 1984 tot hereniging en samenwerking hadden besloten, volgde uiteindclijk in 2011 door een fusie de oprichting van de Protestantse Gemeente te Lochem. Met de overdracht van het godshuis aan de Stichting Oude Gelderse Kerken wordt een nieuwe fase in de geschiedenis van de Lochemse Grote Kerk ingezet.
----....----
Noten:

  1. In de periode 1972-1976 onderging de Gudulakerk een grootscheepse restauratie. De herstelwerkzaamheden en de herinrichting werden voorafgegaan door een uitgebreid archeologisch onderzoek onder leiding van H. Halbertsma. Een ‘kort verslag in: ‘Lochem’ in Nieuwsbulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, 1973, 123-126. De bouwgeschiedenis van de Gudulakerk is beschreven in: C.J.B.P. Frank, ‘De bouwgeschiedenis van de Grote of St. Gudulakerk te Lochem’, in: Kerken, afl. 30, vooorjaar 1990, 239-256; 59-396; Palmboom, E. De nederzetting in de middeleeuwen’, in: Over stad en scholtambt Lochem. Een beschrijving na 750 jaar, Lochem 1983, 62.
  2. C.J.B.P. Frank, De Grote of Sint Gudulakerk te Lochem. Doctoraalscriptie Kunstgeschiedenis der Middeleeuwen, Katholieke Universiteit Nijmegen 1989 (deels herziene versie 1990).
  3. M. Govaerts, ‘De relieken van de Heilige Gudula’, in: Een maagd belaagd, 1300 jaar Heilige Gudula in 20 cultuurhistorische bijdragen, Herdersum 2012, 152.
  4. C. Derlagen, ‘Hoe de Heilige Gudula verscheen in Lochem’, in: Een maagd belaagd, 1300 jaar Heilige Gudula in 20 cultuurhistorische bijdragen, Herdersum 2012, 253.
  5. CeesJan Frank, ‘De unieke gedachtenissteen in de Grote Kerk’, in: Land van Lochem, Tijdschrift van het Historisch Genootschap Lochem Laren Barchem, jaargang 13, no 1, maart 2014, 22-23.


 

Auteur
Herkomst
Maatschappelijke activiteit
Plaats of kern
Straat