Overslaan en naar de inhoud gaan

De unieke gedachtenissteen in de Grote Kerk

Een goed bewaard geheim uit Lochems vroege middeleeuwen

 

In de Grote Kerk wordt een merkwaardige zandstenen plaat bewaard. Een stokoud object, dat sinds de ontdekking ervan een verborgen bestaan leidt tussen andere oude bouwfragmenten en resten beeldhouwwerk. Het gaat om één van de oudste voorbeelden van christelijke beeldhouwkunst in ons land. Hoog tijd voor een hernieuwde  kennismaking!

Terug naar de vroege middeleeuwen

Het oudste monument in Lochem is zonder twijfel de Grote of Sint Gudulakerk. De bouwgeschiedenis van het historische godshuis gaat, zoals bleek uit opgravingen in de kerk in de jaren zeventig, terug tot de negende of tiende eeuw. Het begon allemaal met een eenvoudig houten kerkje, dat later werd vervangen door een stenen gebouw. De huidige kerk is in de veertiende eeuw tot stand gekomen en vooral in de daarop volgende eeuwen in verschillende fasen vergroot. De meer dan duizendjarige geschiedenis is niet alleen in de archieven gedocumenteerd, ook tijdens archeologisch en bouwhistorisch onderzoek kwamen vele oude sporen en objecten tevoorschijn. Hieronder bevindt zich een merkwaardig natuurstenen fragment, dat tegenwoordig in de voor het publiek opengestelde grafkelder in de kerk wordt bewaard. Het gaat om een zandstenen plaat van 74 bij 46 cm en een dikte van 8 à 10 cm, waarop in licht reliëf een menselijke figuur in een tot de voeten reikend lang gewaad is gebeeldhouwd. Beide armen en handen zijn naast het lichaam opgeheven, de wijze waarop men in de vroegchristelijke tijd een biddend persoon voorstelde. We noemen dit de “orante-houding”. Rond de biddende figuur is een tekst aangebracht in een klassiek lettertype: S.-REQUI…//PRI-ANIM…. Helaas is deze tekst niet compleet. “REQUI” zou naar requi(em) kunnen verwijzen (“hij ruste”) en ANIM naar anim(a) of anim(am), wat “ziel” betekent. De voorstelling van de biddende persoon en de tekstfragmenten duiden op het oorspronkelijke “funeraire” gebruik van de plaat als gedachtenissteen voor een overledene (funerair betekent “met betrekking tot begraven of cremeren van een overledene”). Gezien het beperkte formaat zal de plaat in ieder geval niet het deksel van een sarcofaag (stenen doodskist) zijn geweest.

Hoge ouderdom

Zeer waarschijnlijk dateert de steen getuige de manier waarop de persoon is afgebeeld, de gebruikte bewerkingstechniek en het klassieke lettertype uit de negende of tiende eeuw, de zogenaamde Karolingische periode. Daarmee behoort het unieke object tot de vroegste voorbeelden van figurale grafsculptuur in de christelijke traditie in Nederland. Dr. H.A. Tummers, destijds verbonden aan het Kunsthistorisch Instituut van de Katholieke Universiteit Nijmegen (thans Radboud Universiteit) schreef in 1993 een artikel over bijzondere voorbeelden van vroege grafsculptuur in Nederland en noemde de Lochemse steen een voor Nederland zeer vroeg en uniek voorwerp1. In het artikel kunnen we lezen, dat de vroegste figurale voorbeelden van funeraire objecten uit de christelijke periode in Nederland zijn gevonden in Maastricht. Het gaat om enkele fragmenten, waaronder een uit de vijfde of zesde eeuw daterende steen met het Christusmonogram en twee duiven. “Hierna duurt het tot de twaalfde eeuw voor we opnieuw figurale voorstellingen aantreffen op funeraire objecten”, aldus Tummers. Hij besluit zijn betoog dat de Lochemse steen een zeldzaam voorwerp is uit de tussenliggende periode, de negende of tiende eeuw en daarmee een zeer vroeg voorbeeld is van figurale grafsculptuur in Nederland. Het bijzondere object verdient in zijn ogen een grotere bekendheid en een veel opvallender plaats in de kerk in Lochem.

Hergebruik

Het is niet bekend of de gedachtenissteen al vanaf het begin in de Gudulakerk aanwezig is geweest. Misschien is de plaat samen met ander natuursteenmateriaal naar Lochem getransporteerd, toen de kerk grootscheepse verbouwingen onderging in de veertiende of de vijftiende eeuw. In deze periode is de steen namelijk “hergebruikt”. De oorspronkelijke achterkant is toen van versieringen in gotische stijl voorzien en in de muur van het koor gemetseld als onderdeel van de omlijsting van een sacramentsnis. De bijzondere “voorkant” was sindsdien eeuwenlang aan het gezicht onttrokken en bleef zo perfect bewaard. Door dit bijzondere hergebruik is een belangrijk stuk vroegmiddeleeuwse kunst behouden gebleven.

 

H.A. Tummers, “Recente vondsten betreffende grafsculptuur in Nederland. Dertiende en veertiende eeuw, in: Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, jaargang 92, 1993, nummer 1-2, p. 34-35.