Overslaan en naar de inhoud gaan

De Lochemse stadsmolens

Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Broodtekst

Wat zou het prachtig zijn geweest als Lochem zijn beide oude stadsmolens nog zou hebben: de watermolen aan de Berkel en de windmolen op de Paasberg. De watermolen werd in 1894 afgebroken, de windmolen in 1914 1). Daarmee verdween een meer dan 700 jaar oud stuk cultuur en geschiedenis uit de stad.

Lochem was één van de eerste stadjes in het oosten van het land die een watermolen en windmolen kregen. Graaf Reinald de Eerste van Gelre was degene, die in 1293 de opdracht gaf om in Lochem 2) een windmolen te bouwen. De watermolen moet omstreeks diezelfde tijd zijn gebouwd 3), ook in zijn opdracht. De watermolen stond ten noorden van de stad aan de Berkel en de windmolen ten zuiden van de stad aan de rand van de Paasberg.
Op de langskomende afbeeldingen zijn de beide molens te zien kort voor hun verdwijnen. Van de watermolen is dan echter al een deel niet meer aanwezig. Het fundament ervan is nog te zien op de linker oever. Ook komt langs de oude standerdmolen op de Paasberg. En een afbeelding van opnieuw de standerdmolen op de Paasberg, nu samen met de ca. 1860 er naast gebouwde en ook verdwenen bovenkruier (links op de foto). Tenslotte een aquarel van Gerrit Prop naar een veel oudere aquarel van de watermolen aan de Berkel met de Gudulakerk er achter.

De Lochemse stadsmolens
Een vroege vermelding over een windmolen in Lochem is te vinden in het ‘Rekenboek van het Scholtampt Lochem’, waarin te lezen is “1294 Molendium ad ventum Logheim”.4) Dat was dus kort nadat Reinald de Eerste de opdracht tot bouw van de windmolen had gegeven.
Nog een vroege vermelding over de windmolen en de watermolen is te vinden in de rekening van het scholtambt, die Gerard, scholte van Lochem, in 1295 bij de Graaf van Gelre indiende over het boekjaar 1294/95 en waarin onder nr. 23 vermeld staat: “Voorts aldaar van de windmolen en de watermolen met de grafelijke hof uit de roggepacht 130 maldra, het malder 12 s. maakt 78 pond.”5 Dit toont de vroege aanwezigheid van de beide molens in Lochem nog eens duidelijk aan.

De oudste tekening met de beide stadsmolens ziet u op een afbeelding van de hand van tekenaar en kaartenmaker Jacob(us) van Deventer uit ongeveer 1560. De molens bestaan op dat moment al ongeveer 260 jaar.
Een volgende afbeelding met daarop de beide molens is een ets van Nicolaas van Geelkercken uit ongeveer 1655. Nu bezien we Lochem vanuit het noorden. De watermolen ziet u nu op de voorgrond, de windmolen staat echter niet meer aan de voet van de Paasberg, maar binnen de stadsmuren, dichtbij de Smeepoort. Verderop in dit artikel hierover meer.
De benaming stadsmolens hadden ze toen nog niet. Ze waren in het begin het eigendom van de Graaf van Gelre. Het recht op het malen was een grafelijk recht. Hij bepaalde, waar en wanneer er gemalen mocht worden. Iedereen in de omgeving was ook verplicht zijn graan op de grafelijke molen te laten malen. Van het gemalen graan kreeg hij 1/16 deel. Het leverde de graaf dus redelijk wat inkomsten op. Dat de graaf twee molens liet bouwen had waarschijnlijk te maken met het feit, dat er niet altijd voldoende wind of water ter beschikking stond. Door de beide molens was men wat onafhankelijker van de omstandigheden. Wanneer de graaf het recht in handen van de stad heeft gegeven, is niet bekend. Er is door de grote stadsbrand in 1615 veel archiefmateriaal verloren gegaan. De overdracht moet echter ergens tussen 1295 en 1600 hebben plaats gevonden. Bekend is dat de stad vanaf ongeveer 1600 de waterpacht in handen had en ook de molens verpachtte.
De verpachting van de beide molens was erg belangrijk voor Lochem, omdat het gedurende een paar eeuwen voor de stad de voornaamste inkomstenbron was. De molens werden apart verpacht en niet aan één- en dezelfde pachter. De verpachting gebeurde aan de hoogst biedende. Lang niet altijd waren de pachters zelf ook de molenaar. Zij namen dan voor het echte werk een molenaar in dienst. Een enkele keer gebeurde het ook, dat de stad de pacht zelf behield en een molenaar in haar dienst het werk liet doen.

De stadswatermolen
Tot nu toe werd er steeds gesproken over de stadswatermolen, maar het waren er eigenlijk twee, op elk van beide oevers van de Berkel één. De ene was een korenmolen en de andere een oliemolen. Het graan werd gemalen tussen liggende molenstenen, de raapzaden werden eerst gebroken tussen verticaal geplaatste stenen, waarna de olie er uit werd geperst of geslagen.
Langs komt ook de enige foto waarop de tweede molen ook nog op is afgebeeld. Duidelijk is te zien, dat de molen op de noordoever één rad had en die op de zuidoever twee. In 1639 werd in de noordelijke molen, een oliemolen, ook een volmolen 6) geïnstalleerd. Deze volmolen heeft tussen 1639 en 1703 haar werk gedaan. Daarna werden de stenen van de volmolen weer verwijderd.
In 1764 verzochten de gildemeesters van het stadsschoenmakersgilde aan het stadsbestuur of er in de oliemolen een eek- of runmolen mocht worden gebouwd. De run of eek (gemalen eikenschors) hadden ze nodig voor het looien van het leer. De eekmolen kwam er in 1769. Hij heeft echter niet langer dan tot 1787 dienst gedaan. Men had ondertussen andere, gemakkelijkere mogelijkheden gevonden om het leer te looien. De runmolen werd vervangen door een pelmolen voor het verwerken van gerst tot gort. De raderen van de molen aan de zuidzijde werden beide gebruikt voor het malen van graan.

W.C.A. Staring schreef in 1845: “De Lochemsche watermolen, buiten de Molenpoort gelegen, bevat drie raderen. Twee daarvan, 4.94 en 5.94 el in middellijn, behooren tot de graanmolens. Het derde, van 4.44 el middellijn, drijft een oliewerk en een pelmolen. De stad Lochem is eigenares van de molen, en verpacht dien voor f 1.325,- ’s jaars, waarboven nog de verponding door den pachter moet worden betaald. Het kadastraal belastbaar inkomen bedraagt f 650,-.”

Rond 1860 waren de molens echter langzamerhand danig in verval geraakt. Ongeveer tien jaar later werd de noordelijke molen gesloopt. In 1883 werden de overgebleven watermolen, een gedeelte van de molenkolk en de brug over de Berkel bij de molen verkocht aan het Waterschap van de Berkel voor f 13.000,-. Met de toezegging, dat de brug bij de molen steeds een overweg zou blijven naar het kerkpad naar Ampsen. Ook nam het Waterschap de huurovereenkomst met de huurder van de molen over. De zuidelijke molen heeft nog gewerkt tot 1894 8). Toen werd ook hij gesloopt.

De standerdmolen op de Paasberg
Het standerdmolentype (ook wel stender-, standaard- of staakmolen genoemd) is zeer waarschijnlijk al voor de elfde eeuw ontstaan in Noord-Frankrijk, Vlaanderen of Engeland. In het Belgische Silly stond er al één in 1040. In Nederland verscheen de standerdmolen aan het eind van de twaalfde eeuw (1180), het eerst in Limburg. De oudste nog bestaande standerdmolen in Nederland is de Doesburger molen. Op een ets van Hendrik Spilman uit 1743 naar een tekening van Jan de Beijer ziet u een gezicht op Lochem met de molen op de Paasberg. Het schilderij van Wilhelm Christiaan Lichtendahl (uit ca. 1860) toont ons niet één maar twee molens op de Paasberg. Het werk is wat minder vakkundig, maar het geeft, net als het werk er boven, een goed beeld van de situering van de molens aan de rand van de berg en de afstand tot de stad. Op beide afbeeldingen ziet u ook iets van de hooibergen tussen de molen en de stad (als ‘horrea’ vermeld op de tekening van Jacob van Deventer). De molen was heel lang alleen in gebruik als korenmolen. Pas later werd er op de bovenverdieping een runmolen geplaatst.

De tijdelijke verplaatsing van de standerdmolen van de berg naar de stad
Verscheidene mensen hebben zich in het verleden afgevraagd, hoe dat nu zit met de Lochemse standerdmolen, die op een vroege kaart getekend is ten zuiden van Lochem en op latere kaarten binnen de stad. Op jongere kaarten is de molen weer te zien ten zuiden van de stad. Bijna zeker heeft dat te maken gehad met de Tachtigjarige Oorlog (1568 – 1648). De korenmolens waren in die tijd erg belangrijk, omdat ze zorgden voor meel om brood te kunnen bakken. Dat gold voor de bewoners van het platteland, voor de stedelingen, maar ook voor de soldaten van vriend en vijand. Graan konden de fourageurs van een leger vaak met enige moeite nog wel in handen krijgen, maar daar moest dan vervolgens wel meel van gemaakt kunnen worden. En daarvoor hadden ze een maalderij nodig, dus een korenmolen. Nu was het vroeger in tijden van oorlog vaak zo, dat wanneer een leger een gebied aan de vijand moest afstaan, de tactiek van de verschroeide aarde werd toegepast. Alles werd verbrand waar de tegenstander nut van kon hebben: boerderijen en kastelen, maar zeker ook de in het gebied gelegen molens. Toen de bisschop van Munster in 1666 Lochem innam werd in de Gudulakerk alles kort en klein geslagen. De vrijgekomen ruimte liet hij gebruiken om er de veldovens te plaatsen om brood te bakken voor de eigen troepen. Toen de soldaten later weer verdreven waren en de stad haar wonden likte, bleek dat er enorm geplunderd en vernield was. Er heerste ook grote honger. Als men al graan kon vinden, dan kon men het niet malen, want de molens waren kapotgeslagen, zowel de wind- als de watermolen.

De korenmolen op de Paasberg zal tijdens die langdurige Tachtigjarige oorlog, waarbij veel strijd in onze omgeving plaats vond, meerdere keren het slachtoffer zijn geweest van stropende en vernielende troepen, van zowel vriend7 als vijand. En dat, terwijl hij zo ‘brood’nodig was om de bevolking van Lochem van meel te voorzien. Mogelijk is de molen gedurende de strijd op enig moment vernield en hebben de Lochemers het verstandiger gevonden een nieuwe molen binnen de stadsmuren op te bouwen.
Wanneer dat precies is geweest, weten we niet. Maar in het boek Over stad en scholtambt Lochem, een beschrijving van 750 jaar staat op bladzijde 1198: “En bij de korenmolen op de Zuiderwal werden zonder ophouden volle zakken op en neer gelaten, die echter gevuld waren met zand in plaats van graan.” Men deed dit, om de vijand maar niet te laten merken, hoe slecht het in 1582 met de voedselvoorziening stond tijdens de belegering van de stad door de Spaanse veldheer Verdugo. Hieruit blijkt dat de molen in 1582 al binnen de stadsmuren stond. Op diverse afbeeldingen ziet u de molen binnen de stadsmuren. Zoals op een plattegrond van de vestings- en belegeringswerken van de Spanjaarden, een gravure van Gioseppe Gamurini uit 1609 en de tweede afbeelding laat een gedeelte zien uit een tekening van Nicolaas van Geelkercken, die hij in 1643 maakte ten behoeve van een civiel proces voor het Hof van Gelre.
Enige jaren later, rond 1660, tekende zoon Isaäc van Geelkercken een schets van de vesting Lochem met daarop twee molens, één in en één buiten de stad. Maakte hij daarbij een fout, of hebben er gedurende een aantal jaren echt twee stadswindmolens in en bij de stad gestaan? Op de kaart van vader Nicolaas uit 1643 en op de tekening van zijn zoon Jacob van Geelkercken uit 1643 staat wel één enkele windmolen getekend. De tweede molen op die tweede afbeelding zou in de buurt van de hooiberg onderin de tekening moeten hebben gestaan. Het lijkt allemaal wat vreemd. Nicolaas van Geelkercken en zijn zonen Isaäc, Jacob en Anton stonden en staan bekend als betrouwbare tekenaars. Zij kregen niet voor niets vaak de opdracht tekeningen te maken voor de overheid en ten behoeve van civiele processen. Ook op een andere kaart, genaamd ‘Comitatus Zutphania’, gedateerd 1634 – 1649, van C.J. Visscher, staat voor die periode alleen een windmolen op de Paasberg gesitueerd (dus niet één in de stad). Of de windmolen binnen de stadsmuren op afbeelding van Isaac er in 1660 echt stond, is niet duidelijk geworden. Wanneer de windmolen uit de stad verdwenen is, ook niet.

Ergens tussen 1634 en 1649 moet er weer een windmolen op de Paasberg zijn geplaatst, ook weer een standerdmolen. Daar heeft hij zijn verdere werkzame leven doorgebracht.
Op de foto van de standerdmolen op de Paasberg is goed te zien dat bij het naar de wind zetten niet alleen de kap moest worden gedraaid, maar de gehele bovenkast van de molen meedraaide. Het voetstuk, waaraan de centrale verticale as vastzat, is hier dichtgetimmerd, zodat er een opslagplaats ter beschikking kwam. Al het graan moest met een takel naar de eerste verdieping worden gehesen. Op de tweede verdieping bevond zich een set stenen om run te malen. Beide sets stenen konden tegelijk hun werk doen. De windkorenmolen werd in 1856 door de gemeente voor f 2.885,- verkocht aan pachter/ molenaar Engbert van der Riet. In 1914 liet de toenmalige eigenaar en molenaar Steven Kleiboer de molen afbreken om op de plek een elektrische maalderij en schuren te kunnen bouwen. Volgens G.J. ten Arve werd de afgebroken molen op wagens van de fa. Brinkerink naar de Kop van Overijssel vervoerd, om daar nog dienst te kunnen doen.

Meer molens in Lochem en omgeving
De beide stadsmolens waren niet de enige molens in Lochem en omgeving. Naast water- en windmolens kende het gebied ook meerdere rosmolens. Die konden zowel op boerderijen gevonden worden als in de stad. Bij een rosmolen liet men een paard rondlopen om de molenstenen hun maal- of perswerk te laten doen. Zij kwamen vroeger veel voor. In de oude archieven zijn ze echter nauwelijks vastgelegd. Bekend is dat erin 1827 in Laren nog tenminste twee rosmolens waren (voor het persen van raapolie). Ook binnen de stad Lochem staan er voor die tijd twee aangegeven: één als oliemolen en één als pelmolen.

Naast de Lochemse watermolen is er rond 1490 ook een watermolen in Verwolde geweest. Hij schijnt maar korte tijd, ongeveer achttien jaar, te hebben bestaan. Rond 1510 moet hij zijn vernield bij de belegering van het kasteel. Volgens de vermelding in het boek van Herman Hagens lag deze molen bij erve Groot Bekman. De molenkolk moet nog te zien zijn.

Wat de windmolens betreft waren er naast de oude stadsmolen en de al kort aangegeven bovenkruier op de Paasberg meer molens. De volgende qua ouderdom was de molen in Groot Dochteren. Bij de oprichting van de hervormde gemeente Laren (Gld.) in 1684 werd ene Gerret Arentsen ingeschreven met als beroep “mulder in Dochteren”. De kans is groot dat er toen al een molen (ook een standerdmolen) in Groot Dochteren stond. Groot Dochteren behoorde tot het grondgebied van Laren. Laren telde rond 1900 nog twee molens, beide dichtbij de dorpskom: de ene aan de Zutphenseweg (een stellingmolen, bouwjaar ca. 1825) en de ander aan de Holtenseweg (een beltmolen, bouwjaar ca.1850).

Dan waren er nog drie molens te vinden in het buurtschap Zwiep. Natuurlijk de bekende Zwiepse molen van Postel (een stellingmolen, bouwjaar 1851). Dit is de enige molen, die er nog steeds staat en ook nog functioneert! Maar Zwiep heeft nog twee molens gekend. Molens waar echter nauwelijks iets over bekend is. Ze staan gelukkig beide wel op enkele door het Verfraaiings-Gezelschap van Lochem uitgegeven wandelkaarten (meerdere uitgaven:van 1886 – 1917) aangegeven. Ook het ‘Panorama van de Belvédère vanaf de Lochemse berg’ (ook een uitgave van het Verfraaiings-Gezelschap) laat de beide molens in 1900 zien. De ene (getekend als standerdmolen) stond op de Zuider Enk dichtbij boerderij Harkink. De andere stond eerst bij boerderij Denneboom en verhuisde later iets verder op naar de Molendijk. Wat voor molen het was, weten we niet. Wel bekend is dat er op boerderij Denneboom, waar de molen eerst naast stond, een timmerman woonde, die hout voor eigen gebruik zaagde. De molen bij Harkink moet door blikseminslag zijn afgebrand en de molen aan de Molendijk moet in brand zijn gevlogen, doordat men bij sterke wind te veel zeil voerde. Hierdoor ging de molen te snel draaien. In een poging de molen af te remmen vloog deze in brand. Molenaar Evert Postel van de Zwiepse molen heeft dit zien gebeuren.

Dan was er nog een kleine zogenaamde poldermolen aan de Berkel halverwege Lochem en Langen, met het doel overtollig water af te voeren. Maar deze heeft er niet lang gestaan.

En tenslotte was er nog de molen van Reudink. De molen aan de Berkel bij de stad, die zo vaak gefotografeerd en geschilderd is. Deze molen werd rond 1825 gebouwd in opdracht van Lodewijk Gustaaf Berends, griffier bij het kantongerecht in Lochem. Berends was niet de molenaar. Dichtbij de molen stond het kleine huisje van de werkelijke molenaar. In 1851 kocht Jan Reudink de molen, die eigenlijk de naam ‘De Hoop’ droeg, maar later door iedereen de molen van Reudink werd genoemd. De molen werd in 1915 ontwiekt. Het bedrijf draaide verder met behulp van eerst een stoommachine, later een gasgenerator en nog weer later op elektriciteit.

Er rest Lochem nog één prachtige molen, de Zwiepse molen, die gelukkig door liefhebbers in stand wordt gehouden en ook nog steeds goed functioneert. Op de Panorama-kaart van de Belvédère uit 1900 zijn vier Lochemse molens te zien; de beide Paasbergmolens, de molen van Reudink aan de Berkel en helemaal rechts de nauwelijks bekende molen, die bij boerderij Harkink in Langen heeft gestaan.

Bronnen

  • Molens Mulders Meesters door Herman Hagens, Almelo 1978

  • Molens door G.J. ten Arve, artikelenreeks in het ‘Scholtampt van Lochem’, Tijdschrift van de historische vereniging Lochem – Laren, 1990 deel 20 tot en met 1993 deel 29

  • Van wind en water, stoom en stroom, de molens van Almelo door de eeuwen heen door Hennie Rutgers m.m.v. Herman Hagens, Almelo 2005

  • Groenlo in de Tachtigjarige Oorlog. De Achterhoek als strijdtoneel 1567 – 1627 door J.E. van der Pluym, Groenlo 2009

  • Oorlog, mijn arme schapen. Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog 1565 – 1648 door Ronald de Graaf, Franeker 2004

  • De historie van een kleine landstad ‘Lochem’ door G. Prop, Lochem 1958

  • Over stad en scholtambt Lochem. Een beschrijving na 750 jaar onder redactie van drs. C.O.A. baron Schimmelpenninck van der Oije, Lochem 1983

  • Beeldarchief van het Historisch Genootschap Lochem Laren Barchem

  • Beeldarchief van het Regionaal Archief Zutphen

  • Beeldarchief van het Gelders Archief

 

Noten

  1. Volgens de Molendatabase Nederland ( www.molendatabase.org )

  2. Uit: Van wind en water, stoom en stroom, de molens van Almelo door de eeuwen heen, door Hennie Rutgers m.m.v. Herman Hagens , Almelo 2005

  3. Zie: Molens Mulders Meesters, negen eeuwen watermolens in Twente en de Gelderse Achterhoek door Herman Hagens, Almelo 1978

  4. Volgens G.J. ten Arve in zijn artikelenreeks in het ‘Scholtampt van Lochem’ nr. 1990/20 tot en met 1993/29 is dit de oudste aantekening over windmolens in de Achterhoek.

  5. Uit: Molens Mulders Meesters, negen eeuwen watermolens in Twente en de Gelderse Achterhoek door Herman Hagens, blz. 211.

  6. Een volmolen werd gebruikt om wol te ‘vollen’. Dit was het bewerken van geweven wollen stof, waardoor de kwaliteit sterk verbeterde. Deze wollen stof was een tussenproduct van de lakenindustrie. Het vollen zorgde ervoor dat de weefselstructuur dichter en vaster werd (vervilten). Om dat te bereiken werd de geweven stof uren (soms dagen) lang gekneed.

  7. Dat ook de eigen troepen nogal eens stropend en vernielend rondtrokken had te maken met het feit dat het meestal ingehuurde soldaten waren van velerlei herkomst: Duitsers, Engelsen, Schotten, Fransen enz. Als zij niet op tijd betaald werden, en dat gebeurde nogal eens, dan sloegen ze aan het roven om aan voedsel e.d. te komen. Bij de belegering van Lochem door de Spaanse veldheer Verdugo in 1582 lagen er om de Lochemse stadsmuren Schotse huursoldaten in dienst van Verdugo, terwijl er binnen de poorten Schotse huursoldaten in Staatse dienst de stad mee verdedigden.

  8. in het artikel ‘Lochem in het defensief’ door drs. G.B. Janssen. Dezelfde gebeurtenis wordt aangehaald in het boek Oorlog, mijn arme schapen. Een andere kijk op de Tachtigjarige oorlog 1565 – 1649 door Ronald de Graaf.